Nog maar een wat meer beschouwend stukje, niet eens omdat er zo weinig in mijn leven gebeurt.
In dit
bericht staat dat de jeugd, onder druk van de maatschappij, die hen dwingt te presteren, narcistisch is. Dit resulteert enerzijds in een groter gevoel van geluk (er komt zelfs een 'Geluksprofessor' aan het woord), anderzijds in misplaatste arrogantie en superioriteitsgevoelens.
Gister zat ik met Astrid in Bar Amsterdam om 1 uur 's middags aan een broodje frikadel speciaal Ajax - PSV te kijken. Astrid is voor PSV. Ik was meer voor Ajax, gek genoeg.
Het was een vermakelijke wedstrijd. Er werd veel gestreden en er was ook wel sprake van een zeker niveau. Iets wat vrij zeldzaam is in de Nederlandse competitie, verwend als ik inmiddels ben door de Spaanse.
Nu goed, bij het rustsignaal kwam er ineens een groep van tien jongens naast ons neerploffen. Met een misplaatste arrogantie vroegen ze niet of de plaatsen misschien bezet waren, of ze er bij mochten zitten, nee. Ze wierpen zichzelf brutaal op banken en stoelen en het eerste dat er werd geroepen, kwam uit de mond van het biggetje naast me, toen de serveerster langsliep: "Schatje, mag ik je foootooo" zong hij met z'n zwarte, gegelde krulletjes op z'n dikke, verwaande harses.
Al gauw toverde hij z'n Blackberry tevoorschijn, waar hij op begon te googelen, want naar eigen zeggen vond hij voetbal "maar kut." Ondertussen riep hij af en toe sterke termen naar zijn vriend die hij bij de achternaam "Bosselare" noemde.
Deze Bosselare ontpopte zich al gauw als de rebelse clown. "Hup PSV!" riep hij, ervan uitgaande dat het meerendeel voor Ajax was. Een jongen met een blonde scheiding en een blauw bloesje aan riep met studentikoze tongval: "Zeg Bosselare, ben je soms voor PSV ofzo?" Bosselare: "Nee, voor Twente."
Bosselare keek misselijk uit zijn ogen, maar bij nadere bestudering, bleek dat zijn natuurlijke gezichtsuitdrukking te zijn.
Bij de gelijkmaker van Afellay was het zijn moment. Alleen stond hij op, juichte luid, wuifde met de vuist.
"Zo ken ik ons weer," zei de Twente-fan. Verder was het doodstil.
"Ik ga vaker voetbal kijken met Bosselare," zei één van z'n vrienden, blijkbaar toch, en misschien wel als enige, onder de indruk van diens uitbarsting.
Voor Astrid en ik was het duidelijk; we waren plotsklaps, vanuit het niets, beland in precies datgene waar we in Nederland zo van walgen; studenten. En niet zomaar studenten, maar zelfingenomen studenten, volgevreten studenten. Kortom, de meest kwaadaardige soort.
Ze waren zo vol van zichzelf, zagen zichzelf als middelpunt van de wereld, van het universum zelfs, dat ze totaal geen rekening hielden met de mensen om hen heen. Ze bestelden tosti's, maar omdat er maar twee per keer konden worden bezorgd, stelde Bosselare voor om ze per "leeftijd, studiejaar of netto inkomen" te verdelen. Om maar eens aan te tonen in wat voor wereld zij leefden.
Over de wedstrijd zelf: ik vond het heerlijk om te zien hoe Suarez zich ontwikkeld heeft tot een soort Uruguayaanse Effenberg. Echt een RAT, met die tanden en die haartjes, iedereen een 'hijo de puta' noemend, en o zo dodelijk. Meesterlijk. Ik ben ineens echt fan van hem geworden.
Gelukkig kreeg Bosselare de volle laag van het aanwezige kroegpubliek, toen het 2-1, 3-1 en zelfs 4-1 werd voor Ajax. Maar hij bleef net zo misselijk uit zijn hoofd kijken en zei alleen maar: 'Ik ben toch voor Twente.' Altijd superieur doen, geen zwaktes onthullen. Hij paste perfect bij de doelgroep uit de enquête:
"...wanneer de zelfwaardering niet in goede banen wordt geleid en niet geënt is op een reële inschatting van de eigen capaciteiten ontstaan superioriteitsgevoelens en het idee dat allerlei rechten volstrekt vanzelfsprekend zijn. Wie dit in sterke mate heeft, schrikt niet terug voor manipulatie, denkt vooral aan zichzelf en is niet tevreden voor hij het onderste uit de kan heeft gehaald. Dit gaat gepaard, blijkt uit de Volkskrant-enquête, met een meer opvliegend karakter, minder warme banden met familie en minder duurzame relaties met vrienden. Wie het vanzelfsprekend vindt overal recht op te hebben, heeft drie keer zo vaak ruzie, blijkt uit het onderzoek."Ik denk overigens dat dit amper iets nieuws voor deze tijd te noemen is. Er zijn wel meer mensen vol van zichzelf, het is een symptoom van de ziekte die macht heet. En dat is dan ook waar ze voor worden klaargestoomd: een machtspositie. Niks sociaal bewustzijn. Waarom zou je je naaste liefhebben, als je hem ook kan onderdrukken?
Zie de
heer wiens naam ik niet mag noemen. VOL van zichzelf. Dat is de baas van de Nederlandse rechtstaat, dat is het grote voorbeeld voor de Rechtenstudenten: een meervoudige pedo.
Het probleem voor de narcisten, of ze nu pedo zijn of fan van FC Twente, is dat ze verliefd zijn op het spiegelbeeld dat ze gereflecteerd zien in een vijver alcohol en daar niet van af te brengen zijn tot ze erin verdrinken. Ik kan ze vergeven, maar ondertussen zorgen ze wel voor een kutsfeer tijdens hun zelfingenomen genavelstaar.
Ja, ik zit weer op mijn preekstoel, maar ik kan me er zo over opwinden!
Natuurlijk heb je in elk land teringmongolen, maar in Nederland lijken ze zó wijdverspreid, dat ik me afvraag hoe dat nu toch komt.
Om af te sluiten, en dan zal ik het er niet meer over hebben, een stukje uit mijn boek.
"In de nachtbus die De Bruyn betrad, zat een tiental dronken corpsballen, altijd en overal te herkennen aan hun identieke kapsel: een naar achter golvend helmpje dat als een bootje gel op hun arrogante schedel deinde, een fel gekleurd bloesje, een blauwe spijkerbroek met daaronder schoenen met leren veters.
'De soldaten van de toiletpot, de Militaire Kotseenheid, de mannen van het Corrrrps...' De Bruyn had niets met deze soort.
Gevoelig voor kuddevorming, qua uiterlijk identiek en ze rolden met de r alsof ze de mekkerende schapen die ze waren verdronken in ondiep water. Daar boven schuim, veel schuim, een toren van schuim. En dat moest hun toekomst voorstellen, al was het, opgebouwd uit vernedering en kontgelik, niet meer dan de verzameling gegorgelde rochels slijm waarmee ze op het heden spuugden. En dus op zichzelf.
Zo zag De Bruyn het, althans. Met luide muziek in zijn oren, om het studentikoze gebral te overstemmen, keek hij met een gevoel van walging in zijn maag uit het raam. Hij zag geen hand voor ogen, zo donker was het die nacht."